
Vorige week werd ik op Twitter door Christian van der Ven (@cvanderven) gewezen op Archiefwiki. Dit is een initiatief van Nederlandse en Vlaamse archivarissen (die zich hebben verenigd als Archief 2.0) met als doel het digitaliseren van archivistische naslagwerken tot open content voor archivarissen en archiefgebruikers.
De wiki is in eerste instantie opgezet om de vakterminologie voor archivarissen online beschikbaar te krijgen. Voorheen was dat namelijk een boekje en deze is lastig bij te werken. Ook is er in de bestaande terminologie nog geen aandacht voor alle ontwikkelingen rondom onder andere digitale depots. Een wiki bevindt zich online, kan door alle vakgenoten bijgewerkt worden, heeft versiebeheer, de mogelijkheid tot overleg en er kunnen makkelijk koppelingen worden gelegd naar allerlei andere terminologieën die van nut zijn voor het vakgebied.
De wiki werd al vroeg uitgebreid met een ander initiatief: de archievenkaart. Met de archievenkaart wil Archief 2.0 online een soort archiefalmanak krijgen (die nu ook alleen als jaarlijks verschijnend boekje bestaat). Daarnaast is het doel om alle archiefdiensten ‘op de kaart te krijgen’, hopelijk met daarop de grenzen van alle werkgebieden aangegeven.
Op de wiki krijgt iedere archiefinstelling een eigen pagina en zet daarop basale informatie over het werkgebied, contactgegevens, openingstijden enzovoort. Via de zoekmachine zijn al die gegevens te doorzoeken en er is ook een Google gadget voor gemaakt (een voorbeeld is te zien in de linker sidebar op de site van Archief 2.0).
Allereerst is de grote meerwaarde van de wiki volgens Christian het opgeven van de gegevens van het werkgebied van een instelling. Gemeentes worden regelmatig heringedeeld, archiefdiensten fuseren en zo meer, maar als je wilt weten waar de archieven van een bepaalde voormalige gemeente worden bewaard, dan is er geen handig overzicht (of ze zijn beperkt, geven ruis of bestaan enkel op papier). Dat probleem wil Archief Wiki oplossen.
De wiki kan door iedere instelling worden aangevuld en gebruikt. In de ideale situatie zou iedere instelling de pagina voor de eigen dienst ook maken en onderhouden, maar volgens Christian zullen er ongetwijfeld organisaties zijn die wat hulp nodig hebben. In Brabant is afgesproken dat iedere archiefdienst wel de eigen pagina gaat onderhouden. Hiermee hoopt Archief 2.0 andere archieven te kunnen overtuigen het initiatief over te nemen. Via de community zal dit worden gepromoot en zal gewerkt worden aan een landelijke dekking van de archievenkaart.
Ik vind het een erg goed en mooi initiatief, zeker omdat het in ieder geval gedragen wordt door de archieven in Noord Brabant. Dit zorgt voor een goede basis die hopelijk snel overgenomen wordt door andere organisaties. Ook is de community vrij actief en dat maakt de kans tot slagen alleen maar groter. Ik ben benieuwd of Archief Wiki de kritische massa van archieven kan bereiken en hoe het initiatief zich in de komende tijd gaat ontwikkelen. Er is in ieder geval een veelbelovende start gemaakt.

Op 9 en 10 december organiseert Erfgoed Nederland samen met DEN de internationale conferentie over Digital Strategies for Heritage, DISH2009. Dit is een tweejarige conferentie over digitaal erfgoed en de kansen voor Erfgoed instellingen. Door alle veranderingen in onze samenleving is het voor erfgoed instellingen een uitdaging om strategische beslissingen te nemen over de manier waarop zij hun diensten aanbieden. Tijdens DISH2009 zal het uitwisselen van kennis en ervaring centraal staan.
Welke rol hebben erfgoed instellingen in een netwerksamenleving? Waarom zijn sommige digitale diensten meer succesvol dan andere? Welk businessmodel is geschikt voor een erfgoed instelling? Waarom moeten archieven, musea en bibliotheken samenwerken? Dit zijn vragen die aan de orde zullen komen op 9 en 10 december in de Doelen in Rotterdam. Registreren is vanaf nu mogelijk via de site.
Uiteraard is We Cross ook te vinden op DISH. We doen daar als afgevaardigde van de creatieve sector mee aan het debat “The participation gap”. Dit debat gaat in op de vraag hoe de gebruiker te betrekken (en zijn kennis te gebruiken!) in digitale erfgoed services. Margaret Manning, consultant uit de UK is voorzitter van het debat.
Meer info over DISH en onze deelname volgt!

Deze maand start TNO een project over web 2.0 en het ontsluiten van content voor erfgoed. In dit project onderzoekt TNO op welke manieren web 2.0 de ‘business’ van erfgoedinstellingen kan versterken, welke business modellen er mogelijk en/of gewenst zijn, waar gebruikers behoefte aan hebben en welke bestaande technologieën er ingezet kunnen worden voor het ontsluiten en vindbaar maken van grote hoeveelheden content. Het doel hiervan is dat musea en archieven daarna beter in staat zijn om te bepalen wat web 2.0 en andere technologieën voor hen kunnen betekenen.
Op DE Conferentie die op 9 en 10 december 2008 plaatsvond, gaf TNO een presentatie en presenteerde daar een model over de manieren waarop erfgoedinstellingen zoals archieven en musea web 2.0 en user genererated content in kunnen zetten.
In aanvulling hierop maakte Martijn Staal van TNO een overzicht van de huidige user generated content en sociale media initiatieven van musea. Een interessant lijstje om eens te bekijken!
Het voornemen is om dit overzicht verder aan te vullen met andere Nederlandse (of buitenlandse) initiatieven om zo het overzicht up to date te houden. Aanvullingen kunnen hier of op de blog van Martijn Staal gepost worden.
Download hier het overzicht
Photocredit: DE Conferentie

De uitverkochte Digitaal Erfgoed Conferentie had dit jaar twee internationale keynote sprekers aan weten te trekken. Na Diane M. Zorich was het op dinsdag 9 december de beurt aan Nancy Proctor. Zij is hoofd nieuwe media van het Smithsonian American Art Museum (SAAM) in Washington D.C. In het verleden werkte zij voor verschillende musea, waarbij ze al in een vroeg stadium pionierde op het gebied van digitalisering en ‘open stelling’ van musea online. In deze inspirerende sessie gaf Proctor tal van interessante voorbeelden waarbij zij onder andere in ging op de valkuilen en uitdagingen van het openstellen en het gebruik maken van content van bezoekers.
3 basis principes voor musea
Proctor startte de sessie met het schetsen van drie basis principes voor musea die klaar zijn om zich buiten de muren van het museum en de eigen website daarvan te begeven:
- Het gaat niet om technologie, maar om de missie en visie van een museum
- Uitleg is essentieel voor een museum, anders voelen bezoekers zich niet welkom
- Het museum is een distributie netwerk. Het museum moet op verschillende platformen bestaan en op verschillende plekken aanwezig zijn.
Het museum als agora
Volgens Proctor fungeert het museum als agora (marktplaats): het agora gaat verder dan de museummuren en de website, maar is het hart van de museum belevenis. Om als agora te kunnen functioneren, heeft het museum de volgende functies:
- Community
- Mash-up
- Plek voor socratische dialoog
- Fun
1. Het museum is een community
Mensen willen ervaringen delen en daarom moet je de mogelijkheid hiertoe als museum faciliteren. Proctor gaf het voorbeeld van de werken van Niki de Saint Phalle in het Tate modern. In het museum waren werken van deze Franse kunstenares te zien. Veel mensen begrepen het werk niet en vonden het eruit zien alsof hun hond of kind het ook had kunnen maken. Het museum maakte deze ervaring daarom multimediaal. Na het zien van het werk, konden mensen stemmen op verschillende stellingen, zoals ‘het lijkt op een grote chaos’. Hierna startte een video met uitleg over de werkwijze van de kunstenares. Tenslotte werd er gevraagd of de bezoeker het nu anders zag. In veel gevallen werd er geantwoord ‘ja, ik begrijp nu beter wat de betekenis is’. Het museum was uiteraard erg blij met deze video toepassing. Uit onderzoek bleek echter dat bezoekers de video niet belangrijk vonden, maar wel het feit dat het museum vroeg wat ze ervan vonden. Ook wilden ze graag weten wat andere bezoekers ervan vonden.
Hierna ging het museum verder experimenteren met stemmen, polls en ‘my collection’. Bij deze laatste konden mensen online werken verzamelen in hun eigen omgeving. Ook hier bleek dat bookmarken (het opslaan van favoriete werken) en het doorsturen hiervan de meest gebruikte functie was.
Tate TXT was de volgende toepassing die het museum ontwikkelde. Dit was een berichten service, waarmee bezoekers hun mening over de werken vanuit het museum konden sturen naar vrienden. Dit was geen succes, want al snel bleek dat mensen het niet nodig hebben. Iedereen heeft immers een mobiele telefoon in zijn of haar broekzak, waardoor Tate TXT geen toegevoegde waarde had.
2. Het museum is een mash-up
Vind mensen op de plek waar ze zijn en breng ze dan iets nieuws. Bezoekers bevinden zich op sociale netwerken en dat is dus de plek waar je ze moet bereiken. Vanaf daar kan je ze nieuwe dingen laten zien en ze met nieuwe omgevingen in aanraking laten komen. Dat is het uitgangspunt van het museum als mash-up. Hierbij noemde Proctor het voorbeeld van ‘save outdoor spaces’. Het Smithsonian American Art Museum wilde hiermee lokale gemeenschappen activeren om hun werken geografisch in beeld te brengen. Dit kon door beelden en sculpturen toe te voegen aan een database, waardoor deze op een kaart werden weergegeven. Na een tijdje bleek dat de techniek niet goed functioneerde. Daarom is het museum over gegaan naar Google Maps. Dit was immers de plek waar mensen al actief waren en dus bekend waren met de techniek hiervan.
Een mash-up is een web applicatie die data van meerdere bronnen combineert in een nieuwe applicatie. Ook wanneer mensen geen gebruik maken van Web 2.0 technologieën zoals Flickr, Google maps, etc. mashuppen bezoekers volgens Proctor altijd. Wanneer mensen in het museum zijn, gaan ze smssen met vrienden, naar het (museum)cafe, etc. Mensen zijn dus gewend aan het museum als mash-up en daarom moet je daar online op inspelen.
3. Het museum is een plek voor socratische dialoog
Een derde functie van het museum is het creëren van een dialoog, zodat het voor derden makkelijker wordt om te participeren. Het SAAM ontwikkelde daarom de eerste American Art podcast. Dit is een educatieve podcast over kunst. Hierna startte het museum een ander podcast project: ‘learning through teaching’. Studenten werden het museum ingebracht om podcasts te maken. Dit zorgt er volgens Proctor niet alleen voor dat de kennis van studenten over kunst wordt vergroot, maar ook dat de kwaliteit van schrijven beter wordt.
4. Het museum is fun!
Eén van de belangrijkste functies vindt Proctor de fun factor van een museum. Het is immers een belevenis en die moet vooral leuk zijn! Daarom ontwikkelde het SAAM de Alternate Reality Game (ARG) Ghosts of a Chance. Een ARG is een interactieve game die plaatsvindt in de echte wereld, maar ook gebruik maakt van multimediale elementen. Een ARG wordt vaak gebruikt voor het vertellen van verhalen. Ghosts of a Chance maakte gebruik van de echte wereld en digitale omgevingen zoals web, mobiel en sms, waarbij het verhaal zich ontvouwde door een serie van gebeurtenissen. Dit is veel interactiever en leuker dan bijvoorbeeld de audio tours. De reacties die het museum kreeg waren volgens Proctor dan ook overweldigend.
It’s better to be on the buss, then off
Proctor sloot af met de mededeling dat het in beginsel zeker eng is om gebruik te maken van user generated content van bezoekers. Volgens haar is er echter geen alternatief, want bezoekers produceren deze content (tekst, foto, audio en video) toch. Zij hebben immers een mening en willen deze delen met anderen. Daarom moet je zorgen voor een goede integratie hiervan. Hierbij moet je soms het wiel opnieuw uitvinden en blijven ontwikkelen, maar dit is absoluut nodig, want ‘it’s better to be on the buss, then off!’.
Zoals gezegd vond ik het een erg inspirerende sessie. De voorbeelden zijn Amerikaans, maar geven aan dat het gaat om ‘durven innoveren’. Potentiële bezoekers zijn online waar ze creëren en participeren. Dat is dus de plek waar je ze moet bereiken. Door te werken aan slimme oplossingen die crossmediaal zijn en dus gebruik maken van het fysieke museum, sociale media, games, mobiel en radio is het mogelijk deze input van bezoekers om te zetten tot een toegevoegde waarde. Niet meer gebonden aan één plek, maar als overkoepelend hart van een museum. In het geval van Proctor gaat het om grote musea met grote budgetten, maar dit betekent niet dat je als kleiner museum (of andere culturele instelling) niet aan de slag kan met het open stellen. Door een goede strategie uit te werken en deze met kleine stappen uit te voeren, is innovatie voor iedere organisatie mogelijk!
Ook de presentatie van Nancy Proctor komt later hier beschikbaar. En hier via Frankwatching de keynote van Nancy Proctor:
Photocredit: Allie Caulfield

Naar buiten! Dat was het thema van de Digitaal Erfgoed Conferentie die op 9 en 10 december plaats vond in Rotterdam. Dit jaar was het congres volgeboekt met maar liefst 425 deelnemers die graag meer wilden weten over het actief contact zoeken met de doelgroep.
De aftrap van de conferentie werd gegeven door Diane M. Zorich. Zij is specialist op het gebied van het ontsluiten van cultuur via digitale netwerken en werkte onder andere voor het Metropolitan Museum of Art en the American Association of Museums. Naast het adviseren van erfgoedinstellingen, deed Zorich onderzoek naar de manier waarop samenwerking tussen LAMs (library, archive en museums) tot stand komt.
Zorich startte met het schetsen van enkele algemene bevindingen. Zo vertelde zij dat mensen beginnen met zoeken bij Google: mensen gaan niet van site naar site, maar gebruiken Google als startpunt. Hierbij maakt het de gebruiker niet uit welke site de informatie geeft. Hij of zij kiest vaak voor de informatie die het eerst boven komt in Google. Dit betekent dus dat mensen niet automatisch naar jouw site komen wanneer zij op zoek zijn naar informatie over jou. Het betekent echter wel dat je voor veel mensen niet bestaat, wanneer je online niet te vinden bent!
Van Cabinet of Curiosity naar integrated search
In eerste instantie was het museum een ‘Cabinet of Curiosity’ volgens Zorich. Dit betekent dat verschillende objecten zoals boeken, papers en andere werken op één plek te vinden waren. Dit is niet democratisch (want het is locatie gebaseerd en dus niet zichtbaar voor iedereen), niet economisch, maar wel geïntegreerd (want alles was immers op één plek te vinden).
Hierna kreeg ieder materiaal zijn eigen plek. Boeken zijn te vinden in de bibliotheek, objecten in het museum, etc. Dit is democratischer, want objecten zijn op verschillende plekken te vinden, economischer, maar minder geïntegreerd.
Nu zijn we klaar voor het ‘one for all’ principe. Dit betekent dat alles geïntegreerd wordt, maar dan online! Dit is het meest democratisch (want toegankelijk voor iedereen), economisch en het meest geïntegreerd. Hiervoor moet het wel mogelijk zijn om in meerdere data bronnen tegelijk te kunnen zoeken. Dit heet ‘integrated search’.
Volgens Zorich is het model wat er nu is, niet goed. De huidige stand van zaken is namelijk dat veel erfgoedinstellingen eigen online archieven hebben. Ze werken echter niet samen om al het beschikbare materiaal online te krijgen op een manier die gebruikers aanstaat.
Beyond the silos of the LAMs
Naar dit proces heeft RLG Programs en Research/OCLC onder de naam ‘Beyond the silos of the LAMs‘ onderzoek gedaan. Door middel van een serie van workshops met verschillende instellingen is er onderzocht wat de voorwaarden zijn om samenwerking teweeg te brengen. Het vormgeven van een samenwerking gaat via het volgende model. Hierbij beweegt de organisatie zich van links naar rechts en wordt het proces steeds complexer en intensiever:

Bron: Beyond the Silos of the LAMs
Uit het onderzoek blijkt dat er een lijn is tussen ‘coordination’ en ‘collaboration’. De meeste organisaties komen in het proces tot die lijn en gaan dan weer terug naar de oude situatie. Om werkelijk te transformeren moet de organisatie zich als het ware over die lijn heen tillen.
In de workshops is de instellingen gevraagd wat de ideale informatie omgeving zou zijn als er geen beperkingen zoals budget en capaciteit zouden zijn. Antwoorden hierop waren onder andere een ‘federaal zoekmodel’ en ‘één store’ voor digitale objecten met een back-end systeem waarin iedereen kan zoeken.
De centrale vraag hierbij is natuurlijk of deze projecten gerealiseerd kunnen worden. Dat kan wanneer samenwerken een gedeelde visie wordt waar iedereen aan mee wil werken. Om dit te bereiken moeten er incentives zijn zoals promotie, salaris en (publieke) herkenning. Stimulerende factoren zijn een ondersteunende administratieve unit, flexibiliteit en een directie of comité. Door deze factoren is het voor instellingen mogelijk om over ‘de lijn’ heen te gaan en werkelijk te transformeren.
‘Als je geen strategie hebt, ga je ten onder’
Ter afsluiting benadrukte Zorich nogmaals dat gebruikers online aanwezig zijn op sociale netwerken waar ze creëren en socializen met gelijkgestemden. Momenteel is er een discrepantie tussen de musea en de netwerken waar users zich bevinden. Wanneer je als organisatie dus niet online bent, word je irrelevant voor de mensen die online zijn. Volgens Zorich is 2.0 een zwart gat. ‘Als je geen strategie hebt, ga je ten onder. Ben dus strategisch in de manier waarop je je informatie naar buiten brengt op 2.0 omgevingen. De meeste musea doen enorme investeringen om te digitaliseren, maar dit doen ze met name op de eigen site. Dit is echter niet de beste manier, want dit komt niet overeen met het gedrag en de verwachtingen van gebruikers.’
Om met de woorden van Diane Zorich te spreken: consider collaboration! Een gedeelde visie zorgt ervoor dat je de dingen kan doen die transformatie teweeg brengen. Alhoewel de sessie niet voor iedereen iets nieuws zal hebben toegevoegd, was het voor sommigen wellicht een eye opener. Stellingen als ‘wanneer je niet online bent, besta je niet’ zijn immers heftige statements. Interessant vind ik met name de randvoorwaarden van samenwerkingen. Alhoewel er al de nodige onderzoeken naar gedaan zijn, zie je ook hier weer heel duidelijk dat het niet om de techniek gaat. Het is mogelijk om te digitaliseren en samen te werken om zo tot integrated search modellen te komen, maar de implementatie van de samenwerking is het probleem. Hoe zorg je ervoor dat een verandering van de onderste tot de bovenste laag van de organisatie doordringt en wordt geadopteerd? Het onderzoek doet een stap in de richting door enkele factoren inzichtelijk te maken. Het blijft echter mensen werk en dat is fragiel, zelfs wanneer alle randvoorwaarden goed zijn.
Later deze week volgt het verslag van de lezing van Nancy Proctor op de Digitaal Erfgoed Conferentie. Zij is hoofd nieuwe media van het Smithsonian American Art Museum. Ook de keynote van Diane M. Zorich is hopelijk later hier te vinden.
En hier via Frankwatching de keynote van Diane M. Zorich:
Photocredit: WallyG

Op 9 en 10 december vindt de Digitaal Erfgoed Conferentie plaats. Het thema van dit jaar is veelbelovend, want dat is: ‘Naar buiten!’. Volgens organisator Digitaal Erfgoed Nederland staat de conferentie in het teken van de mogelijkheden om digitaal erfgoed optimaal vindbaar en bruikbaar te maken. “Niet alleen de grote zoekmachines maar ook community websites, open geografische systemen en mash up websites bieden mogelijkheden om het beschikbare digitale erfgoed bij het publiek te brengen. Hier is wel actief beleid voor open uitwisseling van informatie nodig. Wacht niet tot belangstellenden langskomen op je website, maar zoek je doelgroepen op. Zorg dat je op de plaatsen bent waar het publiek ook is.”
Het programma lijkt de diepte in te gaan, want zo spreken onder andere Diane M. Zorich en Nancy Proctor. Diane M. Zorich is specialist op het gebied van het ontsluiten van cultuur via digitale netwerken. Zij werkte onder andere voor het Metropolitan Museum of Art en the American Association of Museums. Nancy Proctor is hoofd nieuwe media van het Smithsonian American Art Museum. Dit museum is van plan om hun complete collectie van 137 miljoen werken te digitaliseren.
Daarnaast vinden er op de conferentie debatten, presentaties en workshops plaats over onder andere crossmediaal denken, digitale duurzaamheid en location based media. Ik denk dat deze conferentie een ware aanrader voor medewerkers en directeuren van musea is. Ik zelf ben ook 1 dag aanwezig en zal er na die tijd in ieder geval hier het nodige over schrijven. To be continued!